Iconische trekkers uit de jaren 90

Vakblad LandbouwMechanisatie bestaat 70 jaar en dus is het een goed moment op terug te kijken naar de 70 iconische modellen en series van de afgelopen 70 jaar. In het vijfde deel de 10 iconische trekkers uit de jaren 90.

Fendt Favorit 926 Vario

Op Agritechnica 1995 presenteerde Fendt met de Favorit 926 Vario de eerste CVT trekker die in grote aantallen zijn geproduceerd. De trekker had een 6,8 liter zescilinder motor met turbo en intercooler met een vermogen van 190,8 kW (260 pk). De transmissie was continu variabel met een maximale snelheid van 50 km/h. Twee jaar later in 1997 werden de Favorit 916 Vario van 124,8 kW (170 pk), de Favorit 920 Vario van 146,8 kW (200 pk) en de Favorit 924 Vario van 168,8 kW (230 pk) aan de serie toegevoegd.

In het jaar 2000 kwam de tweede generatie Favorit 900 Vario trekkers uit met een nieuw design die overeenkomt met de Favorit 700 Vario. De nieuwe generatie had meer vermogen. De Favorit 916 Vario 145,33 kW (198 pk), de Favorit 920 Vario 161,5 kW (220 pk), de Favorit 924 Vario kreeg 185,7 kW (253 pk) en de Favorit 926 Vario 209,9 kW (286 pk).

Twee jaar na de introductie werd de  tweede generatie vervangen door de 900 Vario TMS en daarmee verdween de naam Favorit. De nieuwe 900 Vario TMS kreeg een nieuw design, maar had nog steeds dezelfde MAN motor als de Favorit 926 Vario uit 1995, maar dan met meer vermogen. De serie bestond uit de 916 Vario TMS van 105,5 kW (205 pk), de 920 Vario TMS met een vermogen van 166,6 kW (227 pk), de 924 Vario TMS met 191,6 kW (261 pk), de 926 Vario TMS met 215,8 kW (294 pk) en de 930 Vario TMS met 235,6 kW (321 pk). In 2007 werd de 900 Vario TMS vervangen door de vierde generatie Vario met Deutz motoren waarbij alle typen, met uitzondering van de 924 Vario en de 930 Vario, kwamen te vervallen.

Foto: Fabrikant

JCB Fastrac 145

Het Britse JCB toonde in 1990 het Project P120, het prototype van de systeemtrekker die een jaar later in 1991 als de JCB Fastrac 110 (85,8 kW / 117 pk) en de Fastrac 130 (102,8 kW / 140 pk) op de markt kwam. Beide trekkers hadden een zescilinder motor van 6 liter. De motor van de Fastrac 130 had een turbo. De versnellingsbak had 18 versnellingen vooruit en 6 achteruit en een maximumsnelheid van 75 km/u. 

In de zomer van 1991 werden de Fastrac 110 en Fastrac 130 vervangen door de Fastrac 125 van 91,7 kW (125 pk) en de Fastrac 145 met een vermogen van 106,4 kW (145 pk). Beide trekkers hadden dezelfde zescilinder motor als de voorgaande modellen, maar nu beiden met turbo. Het aantal versnellingen bleef gelijk, maar er kon worden gekozen tussen een 40 km/h uitvoering en een 80 km/h uitvoering. Een jaar later in 1992 werden de Fastrac 125 en de Fastrac 145 vervangen door de Fastrac 125-65 van 88,9 kW (121 pk) en de Fastrac 145T-65 van 108 kW (147 pk). De Fastrac 125-65 had geen turbo en de maximumsnelheid van beide trekkers werd teruggebracht naar 65 km/h. In 1993 werden de Fastrac 125-65 en de Fastrac 145T-65 vervangen door de Fastrac 135 en de Fastrac 155 met meer vermogen en meer versnellingen.

Foto: Fabrikant

Deutz-Fahr Agrotron 6.45

Deutz-Fahr introduceerde in de zomer van 1995 de nieuwe Agrotron trekkers met als topmodel de Agrotron 6.45 die de Agrostar 6.61 verving. De trekker had een watergekoelde 7,1 liter zescilinder motor met turbo en een vermogen van 106,4 kW (145 pk). In de standaarduitvoering had de trekker 24 versnellingen vooruit en 8 achteruit met een maximale snelheid van 41 km/u. Ook kon er worden gekozen tussen 6 andere versnellingsbakken, waaronder één met 40 versnellingen vooruit en 40 achteruit. Opvallend aan de trekker was de schuin aflopende neus en de ronde vormgeving van zowel de motorkap en de cabine met een groot glasoppervlak. De trekker is niet lang gebouwd, want in 1997 kwam vervanger Agrotron 150 met een vermogen van 101,1 kW (150 pk) die ook geleverd kon worden met een 50 km/u versnellingsbak.

Foto: Fabrikant

Fiatagri G240 en Ford 8970

In 1993 kwamen Ford en Fiatagri met de Genesis-serie. Het was de eerste serie uit het gezamenlijke New Holland trekkerprogramma met als topmodel de Fiatagri G240 en de Ford 8970 die volledig door Ford was ontworpen en in het Canadese Winnepeg werden gebouwd. De trekkers hadden een 7,5 liter motor turbo en intercooler met een nominaal vermogen van 176,2 kW (240 pk). De  powershift versnellingsbak had 18 versnellingen vooruit en 9 achteruit met een maximale snelheid van 40 km/u. Een nieuwigheid op de trekker was de optionele supersteer-vooras waarmee een draaicirkel van 9,14 meter mogelijk werd, veel kleiner dus dan de 10,68 meter draaicirkel met een standaard vooras.

In 1996 werden de merknamen van de trekkers veranderd in New Holland en stonden de namen Ford en Fiatagri nog met kleine letters op de zijkant van de motorkap. Na een paar jaar liet New Holland de namen Ford en Fiatagri helemaal vallen. In 2000 moest New Holland de fabriek in Winnepeg verkopen om de fusie met Case IH door te kunnen laten gaan. De fabriek werd gekocht door Bühler Industries.

In hetzelfde jaar kwam de 8970A met een vermogen van 178,4 kW (243 pk) uit. De trekker was alleen in Ford-blauw leverbaar was. In 2004 ging de 8970A uit productie en werd het vervangen door de TG235 die werd gebouwd in de Case IH fabriek in Racine. De TG235 was gebaseerd op de Magnum-serie van Case IH. Ondanks dat de New Holland 8970A uit het programma van de fabrikant verdween, werd de trekker nog wel gebouwd. In Europa tussen 2003 en 2005 als de Landini Starland 270.

John Deere 6900

In 1994 voegde John Deere de 6900 aan het programma toe. De trekker werd het topmodel van de in 1992 geïntroduceerde 6000-serie. De trekker was voorzien van 6,8 liter zescilinder motor met turbo met een vermogen van 95,4 kW (130 pk). De 6900 had een Powerquad versnellingsbak met 16 versnellingen vooruit en 12 achteruit. Daarnaast waren bakken met 16 vooruit en 16 achteruit, 20 vooruit en 12 achteruit en een versnellingsbak met 20 versnellingen vooruit en 20 achteruit leverbaar. Voor alle bakken gold de keuze tussen een snelheid van 30 km/u en 40 km/u. Naast een nieuw design had de 6000 serie, net als de 7000 serie die ook in 1992 was geïntroduceerd, een nieuwe vierkante cabine in plaats van de wereldberoemde SG2 cabines met gebogen vooruit.

In 1997 werd de 6900 vervangen door de 6910 met een vermogen van 99.4 kW (135 pk) met een in een frame geplaatste motor. De leverbare versnellingsbakken veranderden ook, zo was de trekker leverbaar met 16 versnellingen vooruit en 16 achteruit, 20 vooruit en 20 achteruit. Beiden waren ook leverbaar met 12 kruipversnellingen. In dat geval werd het aantal versnellingen verhoogd naar 28 vooruit en 28 achteruit en 32 vooruit en 32 achteruit. Daarnaast kon er gekozen worden tussen de 30 km/u en 40 km/u en ook voor een 50 km/u uitvoering. Een CVT optie was leverbaar voor de versnellingsbak met 20 versnellingen vooruit en 20 achteruit. Een nieuwe optie was voorasvering op de 6910.

Vanaf 1999 was er ook een full powershift transmissie leverbaar met 18 versnellingen vooruit en 7 achteruit met een maximale snelheid van 40 km/u. In hetzelfde jaar kwam de 6910S die vrijwel identiek was aan de 6910, maar dan met een vermogen van 103 kW (140 pk). Een jaar later werd het vermogen opgevoerd naar 110,4 kW (150 pk). Een geveerde vooras behoorde tot de standaarduitrusting van de 6910S. In 2003 gingen de 6910 en 6910S uit productie en werden ze vervangen door de 6920 en 6920S.

Foto: Fabrikant

Massey Ferguson 6190

In 1996 introduceerde Massey Ferguson de 6190, het nieuwe topmodel van de in 1995 geïntroduceerde 6100 serie die de 3100 serie verving. De trekker had een 6 liter zescilinder motor met turbo van 95,4 kW (130 pk). De versnellingsbak was een Dynashift 4-traps powershift met 32 versnellingen vooruit en 32 achteruit met een maximale snelheid van 40 km/u. In tegenstelling tot de kleinere 6180 is de 6190 nooit met tweewielaandrijving geleverd. In 1999 ging de 6190 uit productie en werd het vervangen door de 6280 met een vermogen van 96,9 kW (132 pk).

Foto: Fabrikant

Claas Xerion 2500

De geschiedenis van de Xerion systeemtrekker gaat terug tot eind jaren 60 toen Claas bezig was met de ontwikkeling van HSG wat tot een prototype leidde in 1968. Dat prototype was voorzien van een hydrostatische transmissie en qua bouw had het gelijkenissen met de MB-Trac. In de periode van 1968 tot 1972 maakte Claas modificaties aan het model die later in samenwerking met Mercedes zou worden gedistribueerd. Maar zover is het nooit gekomen, want Mercedes stapte uit het project en vanwege bezuinigingen werd het in de ijskast gezet.

 In 1985 had Claas een nieuw prototype klaar: de Xerion Projekt 207. Deze trekker had een MAN-motor met een vermogen van 205,5 kW (280 pk) en een CVT bak. Verder had de machine vierwielbesturing en een cabine die 180 graden kon draaien. De systeemtrekker kon worden ingezet als zelfrijdende bietenrooier, maaidorser en hakselaar.

In 1993 presenteerde Claas het prototype van de Xerion 2500 met de door fabrikant zelf  ontwikkelde CVT versnellingsbak. Later kwam er een verbeterde versie van de Xerion 2500. In 1995 werd de nieuwe grotere Xerion 3000  geintrodueerd. Het duurde tot 1997 dat beide modellen in productie gingen. Beide trekkers hadden een 8,7 liter motor met turbo en intercooler met een vermogen van 183,5 kW (250 pk) voor de Xerion 2500 en 220 kW (300 pk) voor de Xerion 3000. Ook hadden beide trekkers een CVT versnellingsbak met een maximale snelheid van 40 km/u. Veel fabrikanten bouwden werktuigen die speciaal voor de Xerion werden ontwikkeld zoals mesttanks, meststrooiers en zaadhoppers. Twee jaar later, in 1999, kreeg de Xerion 2500 een vermogen van 194,5 kW (265 pk) en de Xerion 3000 231,2 kW (315 pk).

In 2004 gingen de Xerion 2500 en Xerion 3000 met Perkins-motor uit productie en werden ze vervangen door de zwaardere Xerion 3300 Trac van 245,9 kW (335 pk) en de Xerion 3800 Trac van 278,2 kW (379 pk) met een 8,8 liter Caterpillar motor en een ZF Ecom versnellingsbak. De Xerion modellen waren vanaf 2004 leverbaar in 3 uitvoeringen; De standaard Trac uitvoering met vaste cabine, de Trac-V met draaibare cabine en de Saddle Trac met vaste cabine op de vooras. 

Bij de Claas fabriek in Harsewinkel staat het HSG prototype en de in 2010 gerestaureerde Xerion Projekt 207 tentoongesteld. Ook het eerste prototype van de Xerion 2500 uit 1993 is bewaard gebleven. De trekker stond in 2016 in Duitsland te koop, maar niet meer met de originele motor en versnellingsbak.

Foto: Fabrikant

 

Case IH Magnum 7250 Pro

De Case IH Magnum 7250 Pro werd in 1997 geïntroduceerd als het topmodel van de derde generatie Magnum trekkers. De ontwikkeling van de eerste generatie Magnum trekkers gaat terug tot enkele jaren voordat International werd overgenomen door Tenneco. De ontwikkeling van wat uiteindelijk de Magnum zal worden, begon begin jaren 80 toen International al druk bezig was met de opvolger van de bestaande 5088-serie.

Toen in 1984 de landbouwtak van International werd verkocht aan Tenneco, ging de ontwikkeling van de trekker door. Zo maakte de motor plaats voor een Cummins en werd de cabine doorontwikkeld. In augustus 1987 werd de nieuwe Magnum-serie gepresenteerd, bestaande uit de modellen 7110, 7210, 7130 en 7140  met vermogens van 113,8 kW (155 pk) tot 168,8 kW (230 pk) en met een powershift versnellingsbak met 18 versnellingen vooruit en 4 achteruit. De trekkers kwamen pas in 1989 in Europa.

Later, in 1991, werd de 176,9 kW (241 pk) Magnum 7150 aan de serie toegevoegd. Die trekker werd niet in Europa verkocht. In 1994 werd de Magnum 7100 vervangen door de Magnum 7200-serie met een vermogen van 113,8 kW (155 pk) tot 182,8 kW (249 pk) en een versnellingsbak met 24 versnellingen vooruit en 6 achteruit. In 1997 kwam Case IH met de Magnum 7200 Pro-serie met als topmodel de 7250 Pro. Alle modellen uit die serie waren uitgerust met dezelfde 8,3 liter zescilinder motor met turbo en intercooler met vermogens van 124,8 kW (170 pk) tot 191,6 kW (261 pk). De versnellingsbak was een powershift met 24 versnellingen vooruit en 6 achteruit met een maximale snelheid van 40 km/u.

In sommige Europese landen werd de Magnum 7200 Pro ook verkocht als de Steyr 9200 (7220 Pro), 9220, (7230 Pro), 9250 (7240 Pro) en als de Steyr 9270 (7250 Pro). Voor de Noord-Amerikaanse markt werden de trekkers uit de 7200 Pro-serie als de Magnum 8900 serie verkocht bestaande uit de modellen 8110 (7210 Pro), 8920 (7220 Pro), 8930 (7230 Pro), 8940 (7240 Pro) en de 8950 (7250 Pro) waarvan de 8910, 8920 en 8930 ook nog leverbaar waren met tweewielaandrijving. In 1999 gingen de Magnum 7200 Pro en Magnum 8900 serie uit productie en werden ze vervangen door de MX Magnum serie.

De Magnum 8900 voor de Noord-Amerikaanse markt. Foto: Fabrikant

Same Rubin 200

Eind 1999 stelde Same op Agritechnica de grotere Rubin modellen voor met als topmodel de Rubin 200 die de bestaande serie uit 1997 naar boven moest uitbreiden en de Titan 190 moest vervangen. De trekker had een watergekoelde 6 liter zescilinder motor van 146,9 kW (200 pk) met turbo en intercooler. De versnellingsbak was een powershift met 18 versnellingen vooruit en 18 versnellingen achteruit met een maximale snelheid van 40 km/u.

In 2000 werd de Galileo-cabine met hellingcompensatie leverbaar. Daarnee bleef de bestuurder op hellingen horizontaal zitten. Deze optie was alleen leverbaar op de Rubin 160, Rubin 180 en Rubin 200. Ook werden de trekkers verkocht door Hurlimann en Lamborghini als de Hürlimann SX-2000 en de Lamborghini Champion 200.

In 2004 eindigde de productie van de grote Rubin modellen en de kleinere modellen gingen in 2005 uit productie. De grote modellen werden in 2003 vervangen door de nieuwe Iron serie voorzien watergekoelde Deutz- motoren tot 143,1 kW (195 pk) en een versnellingsbak met  27 versnellingen vooruit en 27 achteruit. De Galileocabine was niet meer leverbaar, maar de overeenkomsten met de Deutz-Fahr Agrotron trekkers werd groter. De Iron 200 die de Rubin 200 opvolgde kreeg in 2004 een groter vermogen van 150,5 kW (205 pk). De trekker werd ook als Lamborghini R7.200 en de Deutz-Fahr Agrotron L200 verkocht.

Foto: Fabrikant.

Met Galileo-cabine. Foto: Fabrikant.

Schluter Eurotrac 2000 LS

De geschiedenis van de Eurotrac systeemtrekker gaat terug tot 1989 toen Schluter het nieuwe trekkerconcept presenteerde. De serie bestond uit de modellen Eurotrac 1300 met een vermogen van 95,4 kW (130 pk) en Eurotrac 1900 van 139,5 kW (190 pk). Het ontwerp van de trekker was bijzonder. De motor zat onder de cabine. Waar normaal gesproken de motor zat, monteerde Schluter een naar voren verplaatsbaar frontgewicht.

In 1991 gingen de trekkers als de Eurotrac 1300 LS en Eurotrac 1900 LS in productie en werd de serie nog verder uitgebreid. De Eurotrac 1900 LS had een 6,9 liter zescilinder van 139,5 kW (190 pk) die was voorzien van een turbo en intercooler. De versnellingsbak had 24 versnellingen vooruit en 12 achteruit en behaalde een maximale snelheid van 35 km/u. In 1992 bouwde Schlüter een prototype van de Eurotrac 1900 met een CVT van Claas, maar ging nooit in productie.

In 1993, nadat er 21 Eurotrac 1900 LS trekkers waren gebouwd, sloot Schlüter zijn fabriek in Freising en verhuisde de productie van de Eurotrac naar de oude Fortschritt trekkerfabriek in Schönebeck. Schluter veranderde de bedrijfsnaam in Landtechnik Schlüter.

Direct na de verhuizing werd de Eurotrac 1900 LS omgedoopt tot de Eurotrac 2000 LS met een vermogen van 146,8 kW (200 pk) waarvan 11 stuks waren gebouwd tot 1995. In 1995 eindigde de productie van Eurotrac waarvan er in totaal 184 stuks door Schlüter gebouwd waren. In hetzelfde jaar kocht de firma Egelseer uit Burgfarnbach (bij Neurenberg) de merkrechten en de resterende voorraad onderdelen. Egelseer bouwde vanaf 1997 tot 2005 nog 26 exemplaren van de Eurotrac.

Deel dit bericht via:
Facebook Twitter LinkedIn Email

Helpt u ons in twee minuten deze website te verbeteren?

Als uitgever van Mechaman en LandbouwMechanisatie zijn wij continu op zoek naar hoe we u als lezer nog beter van relevante en nuttige informatie kunnen voorzien. Daarom willen we u graag wat vragen stellen.

Ik doe mee!

Geef een reactie