Hoge melkkwaliteit gaat niet vanzelf met robot

Met een melkrobot stijgen het cel- en kiem­getal van de melk, is de algemeen geldende opvatting. Maar klopt dat? Dr. Lutz Dasser van het Landeskontrollverband Sachsen neemt in Top Agrar de proef op de som.

Melkkwaliteit en melkrobot lijken geen gelukkig huwelijk. Steeds weer duiken verhalen op van veehouders die na de overstap op een melkrobot het cel- en kiemgetal van hun melk zien stijgen.

Acht procent, oftewel 69 van de circa 800 melkveebedrijven in de Duitse deelstaat Sachsen melkt intussen met een melkrobot. Lely is hofleverancier, daarna volgt DeLaval. Sinds 2011, toen in Sachsen voor het laatst de relatie tussen melkkwaliteit en robotmelken werd onderzocht, hebben nog 38 bedrijven de overstap gemaakt naar een melkrobot.

Uit de studie van Dasser blijkt dat het gemiddelde celgetal in Sachsen op 209.000 cellen per ml melk ligt. Daarmee scoort de deelstaat in de middenmoot. Het celgetal van de veehouders die met een robot melken, ligt gemiddeld aanzienlijk hoger: bijna 400.000 cellen met ml melk. Dat hoge gemiddelde wordt vooral veroorzaakt door een aantal flinke uitschieters naar boven. Enkele bedrijven met een robot– ook grote bedrijven met meer dan 1.000 koeien – scoren met 100.000 cellen per ml melk namelijk aanzienlijk beter. Het kán dus wel, meent Dasser. Belangrijk is een goede hygiëne en controle. Immers een klinische mastitis die niet wordt opgemerkt kan het celgetal in de tankmelk flink verhogen. Ook een verkeerd afgestelde pulsatie kan leiden tot een stijging van het celgetal. Een ander aandachtspunt: zorg dat de robot de koeien goed uitmelkt.

Extreme uitglijders

Met een gemiddeld kiemgetal van 14 (14.000 kiemen per ml melk) scoort de deelstaat Sachsen het best van alle Duitse deelstaten. Maar onder de robotmelkers in Sachsen bevinden zich extreme uit­glijders; uitschieters naar boven die Dasser niet kon terugvinden bij melkveehouders die hun koeien in een conventioneel melkstal melken. Maar net als bij het celgetal zijn er ook bedrijven die met een robot melken met een kiemgetal van 10.

Voor het kiemgetal is een goede reiniging van tepelvoeringen van belang. Verder wijst Dasser op de koeling van de melk in de tussen­tank. Hier mogen warme melkresten niet te lang in achterblijven. Doorgaans worden deze tussentanks niet gekoeld. Maar als bedrijven problemen ondervinden met het kiemgetal kan installatie van een voorkoeler zinvol zijn.

Wat vriespunt van de melk betreft scoren de robotmelkers beter dan de veehouders met een conventioneel melksysteem. Het vriespunt van de robotmelk uit de deelstaat ligt gemiddeld op 0,530 graden Celsius, dat van de conventionele melkers tussen 0,520 en 0,525 graden Celsius.

Het gaat niet vanzelf

Uit de studie blijkt dat robotmelkers in staat zijn om melk van hoge kwaliteit te leveren, meent Dasser. Maar vanzelf gaat het niet. De mens bepaalt welke melk­kwaliteit je levert – en niet de melkrobot. De veehouder moet de sensoren van zijn robot regelmatig laten controleren, want de sensoren bewaken de melkkwaliteit. Veehouders die bij een robot volledig vertrouwen op de techniek komen bedrogen uit, aldus Dasser.

Dit bericht is gepubliceerd in het septembernummer van vakblad Veehouderij Techniek. Benieuwd wat er in het novembernummer te lezen is?
Bekijk hier de abonnementen.

Deel dit bericht via:
Facebook Twitter LinkedIn Email
Stuur mij maandelijks Veehouderij Techniek nieuws
E-mail:

Reacties zijn gesloten.