Opslaan

Achtergrond

Snijmais en gras: wanneer loont beregenen en wanneer niet meer?

Onderzoekers van Agro-innovatiecentrum De Marke hebben de beregeningsbehoefte van gras en snijmais onderzocht. De stip op de horizon is daarbij gelegd in het jaar 2050. In het onderzoek is gekeken naar wat beregenen betekent voor de opbrengst en het bedrijfsresultaat. Wanneer loont beregenen nog en wanneer niet meer?

Onderzoekers van Agro-innovatiecentrum De Marke hebben de beregeningsbehoefte van gras en snijmais onderzocht. De stip op de horizon is daarbij gelegd in het jaar 2050. In het onderzoek is gekeken naar wat beregenen betekent voor de opbrengst en het bedrijfsresultaat. Wanneer loont beregenen nog en wanneer niet meer?

De Marke houdt sinds het jaar 2000 bij wanneer en hoeveel water op elk perceel gebruikt wordt bij beregening. Die gegevens zijn statistisch geanalyseerd. Vanwege de stijgende temperaturen, langere droge periodes en oplopende neerslagtekorten in het groeiseizoen neemt de druk op de ruwvoerproductie toe. Beregenen kan de droogte deel opvangen, maar het is een kostbare aangelegenheid.   

Beregening van gras en snijmais hangt logischerwijs samen met het neerslagtekort. Hoe droger, hoe meer er wordt beregend. Veehouders sturen de beregening dus vooral op basis van actueel vochttekort. De ligging en het gebruik van de percelen spelen ook een rol. Op De Marke ligt het blijvend grasland vooral op de huiskavel en wordt dit gebruikt voor beweiding. Maaipercelen liggen vooral op de veldkavels. De huiskavel wordt relatief intensief beregend. Daarmee willen de onderzoekers voorkomen dat de grasgroei bij droogte stilvalt en dat de graszode beschadigt bij beweiding. Ook moet worden voorkomen dat de zode afsterft tijdens droge perioden.

De analyse over 22 jaar laat zien dat beregenen op maaipercelen opbrengst oplevert. Op deze percelen – waar gemiddeld 13 millimeter per 100 millimeter neerslagtekort wordt beregend – levert extra water ongeveer 23,5 kilogram droge stof per millimeter op.

Op intensief beregende weidepercelen ligt dat anders. Daar wordt gemiddeld 39 millimeter per 100 millimeter neerslagtekort gegeven. Extra beregenen leidde hier niet tot een hogere grasopbrengst. Meer of minder beregenen maakte in de analyse nauwelijks verschil.

Dat resultaat is volgens de onderzoekers opvallend, omdat over het algemeen wordt verwacht dat meer beregenen tot een groter grasaanbod leidt. Een mogelijke verklaring is dat beweid gras tijdens warme en droge omstandigheden extra stress ondervindt door betreding. Gras dat voor maaien groeit, kan ongestoord herstellen, terwijl beweid gras tegelijkertijd te maken heeft met droogtestress en mechanische belasting. Daar komt bij dat de zandgrond op De Marke snel reageert op droogte. De overgang van voldoende naar onvoldoende bodemvocht verloopt er abrupt. Daardoor is het praktisch moeilijk om precies op tijd te beregenen. Door beperkte beregeningscapaciteit ontstaat al snel een achterstand, waarna de grasgroei sterk terugvalt. Hoge zomertemperaturen versterken dit effect. Zandgronden warmen sneller op en bevatten minder bodemvocht, waardoor droogtestress sneller optreedt.

Toekomst

Om te onderzoeken hoe de situatie zich in de toekomst ontwikkelt, is een scenarioanalyse uitgevoerd met het modelinstrument Waterpas. Hiermee kunnen onderzoekers de effecten van hydrologie op grasgroei, graslandgebruik en technische en economische bedrijfsresultaten simuleren.

De uitkomsten laten zien dat zonder beregening – en zonder maatregelen om water vast te houden – de opbrengst in een toekomstig klimaat in 2050 duidelijk onder druk komt te staan.

  • De grasopbrengst daalt naar verwachting met circa 9 procent.
  • De snijmaïsopbrengst kan met ongeveer 18 procent afnemen.

Om deze verliezen te compenseren, zal de beregeningsbehoefte toenemen. Voor gras ligt die naar verwachting 1,3 keer hoger dan nu, terwijl snijmaïs zelfs 1,6 keer meer water nodig heeft.

De berekeningen laten ook zien dat beregenen bij snijmaïs effectiever is dan bij gras.

  • Voor gras levert beregenen in het voorjaar gemiddeld 24 kilogram droge stof per millimeter op.
  • Over het hele seizoen ligt dat effect rond 18 kilogram droge stof per millimeter.
  • Bij snijmaïs komt het gemiddelde effect uit op 38 kilogram droge stof per millimeter.

Dat verschil maakt snijmaïs in droge jaren een geschiktere kandidaat voor beregening.

Strategische inzet

Wanneer water schaars wordt, kan het volgens het onderzoek daarom economisch verstandiger zijn om prioriteit te geven aan snijmaïs. Grasland dat wordt beweid kan dan beter terughoudend worden beregend, in plaats van het vochttekort volledig te willen compenseren.

Naast beregenen zijn ook andere maatregelen denkbaar om de gevolgen van droogte te beperken. Denk aan het vasthouden van winterwater, het vergroten van de worteldiepte met kruidenrijk grasland of het beperken van beregening tot het voorjaar.

De effecten van deze maatregelen op opbrengst en bedrijfsresultaat worden momenteel verder uitgewerkt. Eén conclusie lijkt nu al duidelijk: door klimaatverandering zal de kosten-batenverhouding van beregenen in de toekomst anders uitpakken dan op dit moment. De volledige onderzoeksresultaten worden binnenkort gepubliceerd in een rapport. Het onderzoek op De Marke is uitgevoerd binnen het PPS-project Koeien & Kansen, een publiek-private samenwerking gericht op duurzame ontwikkeling van de melkveehouderij.